Publicaties - onderzoeken

Discriminatie in en rond school

Homoseksuele personeelsleden en scholieren van middelbare scholen lopen een verhoogd risico het slachtoffer te worden van discriminatie en geweld. Dat blijkt uit een aanvullende analyse die de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) uit heeft laten voeren op basis van onderzoeksresultaten van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCW). Ook blijkt uit deze analyse dat discriminatie van homo’s vaak onderdeel is van een algeheel patroon van discriminatoir gedrag.   OCW laat tweejaarlijks de Veiligheidsmonitor Voortgezet (Speciaal) Onderwijs uitvoeren, waarin het ervaren van discriminatie een belangrijk onderwerp is. In opdracht van de CGB heeft ITS Radboud Universiteit een analyse van de onderzoeksresultaten van de Veiligheidsmonitor 2006 uitgevoerd waarin de specifieke positie van homoseksuele leerlingen, onderwijzers en onderwijsondersteunend personeel werd uitgelicht. De analyse kunt u lezen in het rapport Discriminatie in en rond school.   De Veiligheidsmonitor 2008 is momenteel in voorbereiding. Mede met het oog op de nota homo-emancipatiebeleid 2008-2011 heeft de CGB het Ministerie gevraagd enkele extra onderzoeksvragen op te nemen. Deze vragen betreffen onderwerpen als het verband tussen de mate van gevoerd veiligheidsbeleid op scholen en gevoelens van (on)veiligheid. Maar ook: beleidsvoornemens van scholen ten aanzien van preventie van discriminatie van homoseksuele of lesbische scholieren en personeelsleden.   De uitkomsten van dit komende onderzoek moeten handvatten bieden voor de onderwijspraktijk om discriminatie effectief te bestrijden. Hierin moet wat betreft de CGB een zwaar accent op de preventie ervan komen te liggen.

Discriminatie is het woord niet - Lesbische vrouwen en homoseksuele mannen op de werkvloer: bejegening en beleid

Homoseksuele mannen en vrouwen voelen zich in hun werkomgeving nog steeds onprettig behandeld vanwege hun seksuele voorkeur. Dat blijkt uit onderzoek dat de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) heeft laten uitvoeren. Tussen bedrijfssectoren blijken grote verschillen te bestaan in dit alledaags onbehagen van homoseksuele werknemers.   De problemen van homo’s op de werkvloer hebben veelal te maken met opmerkingen of grapjes, die verwijzen naar hun seksuele geaardheid. Soms gebeurt dat incidenteel en soms stelselmatig. Het is niet vaak regelrechte discriminatie, maar wel gedrag dat door homoseksuele werknemers als kwetsend wordt ervaren. Oók als het niet zo is bedoeld. Het onderzoek biedt handvatten hoe dergelijke problemen aan te pakken.   Aard van de discriminatie De CGB krijgt regelmatig signalen dat homo’s zich ongelijk behandeld voelen in hun dagelijkse werksituatie. Toch krijgt zij maar heel beperkt officiële klachten vanuit deze groep. Dat was reden voor de CGB om inzicht te willen krijgen in de aard, de omvang en de beleving van discriminatie van homoseksuele mannen en lesbische vrouwen op de werkvloer. Daarnaast wil de CGB een handreiking bieden voor organisaties zodat deze discriminatie op basis van seksuele voorkeur met effectievere middelen kunnen tegengaan.   Onzichtbaarheid van problemen De CGB heeft daarom onderzoek laten verrichten door het Verwey-Jonker Instituut, dat zich richtte op drie sectoren: het openbaar bestuur, de sector transport- en communicatie en de gezondheidszorg. Uit het onderzoek komt naar voren dat de bejegening van homo’s in veel bedrijven niet of nauwelijks onderwerp van gesprek is. En als er geen problemen lijken te bestaan, lijkt er dus ook geen aanleiding voor specifiek beleid. Er blijken echter wel degelijk bejegeningsproblemen op de werkvloer te bestaan, juist in organisaties/sectoren waar homo’s weinig zichtbaar zijn. Een van de leidinggevenden uit het onderzoek verwoordt het als volgt: “Als de omgeving het accepteert, kom je er voor uit en zijn er geen problemen. Als de omgeving het niet accepteert, kom je er niet voor uit en zijn er óók geen problemen…”    Verschillen per sector In sectoren waar veel vrouwen werken (in dit onderzoek: de GGD van een gemeente en een ziekenhuis) is het vaak wel bekend wie homoseksueel (m/v) is. Onheuse bejegening komt daar weinig voor. Vooral de werknemers in het ziekenhuis zijn – als het om dit thema gaat – bijzonder positief over de bedrijfscultuur. Dat komt door de prettige omgang en omdat er voldoende procedures/vangnetten bestaan om discriminatie aan de orde te stellen. In de sectoren waar meer mannen dan vrouwen werken (in dit onderzoek: een transport- en communicatiebedrijf en de afdeling Stadswerken van een gemeente) ervaren homomannen en in mindere mate lesbische werkneemsters de nodig problemen. (Homo)mannen die ook maar een klein beetje afwijken van de sociaal verwachte sekserol op de mannenwerkvloer lopen het grootste risico. ‘Stoere’ lesbische werkneemsters hebben hier meer kans op een prettige werkomgeving: zij worden vaak beschouwd als ‘een van de jongens’.   Mechanismen van discriminatie Het bijzondere van dit onderzoek is dat het zich niet richt op een individuele misstand, maar op de onderliggende mechanismen die een rol spelen bij discriminatie van homoseksuele en lesbische werknemers. Een dergelijke benadering van het begrip discriminatie paste de CGB ook toe in het recente onderzoek naar stelselmatige discriminatie binnen een hogeschool. Ook in een nog af te ronden onderzoek naar de gevolgen van klagen over discriminatie, analyseert de CGB deze mechanismen nader. Een goed zicht op mechanismen en patronen die ten grondslag liggen aan onheuse bejegening, bijvoorbeeld het idee dat ‘homograppen’ de normaalste zaak van de wereld zouden zijn, levert zicht op oorzaken en mogelijke oplossingen.   Aanbevelingen Het onderzoeksbureau doet aanbevelingen om de specifieke problemen voor homo’s op de werkvloer te verminderen. Zo zouden werkgevers- en werknemersorganisaties beter en meer gegevens moeten verzamelen over bejegening en seksuele voorkeur. Gerichte vragen in medewerkersbetrokkenheid- en motivatieonderzoeken zijn noodzakelijk om werkbeleving en werkplezier van diverse groepen werknemers boven tafel te krijgen. Daarnaast zou het instrumentarium dat wél werkt binnen organisaties, meer bekendheid moeten krijgen. Bijvoorbeeld: trainingen voor leidinggevenden en vertrouwenspersonen of een anonieme meldplaats van bejegeningsproblemen op intranet. De publiciteit voor dit instrumentarium zou zich vooral moeten richten op de sectoren waar meer mannen dan vrouwen werken: daar komt onheuse bejegening immers het vaakst voor, zoals uit het onderzoek blijkt.   De CGB zal de bevindingen uit dit onderzoek breed onder de aandacht brengen van onder meer werkgevers- en werknemersorganisaties. Een diversiteitsbeleid gericht op verschillende doelgroepen, waaronder homoseksuele mannen en lesbische vrouwen, en een flankerend anti-discriminatiebeleid, kan voorkómen dat bejegening op de werkvloer discriminatie wordt.   Laurien Koster, voorzitter van de CGB, zegt hierover: “Dé werkvloer bestaat niet. Bejegening is altijd gekoppeld aan bedrijfscultuur, die varieert per bedrijf en nog meer per sector. Het komt aan op leidinggevenden, vertrouwenspersonen en personeelsadviseurs om de basis te leggen voor een discriminatievrije werkomgeving.”   Rol CGB De werkgever die maatregelen neemt, kan zijn beleid door de CGB laten toetsen aan de gelijkebehandelingswetgeving. De individuele werknemer die zich gediscrimineerd voelt, kan on line een klacht indienen bij de CGB. De grenzen tussen onprettig of onwettig kunnen veelal pas in de individuele zaak worden getrokken.   Conferentie De onderzoeksresultaten zijn gepresenteerd op vrijdag 19 juni op de conferentie Uit de kast, werkt beter, georganiseerd door de FNV en het Company Pride Platform. Op deze conferentie gingen werkgevers- en werknemersorganisaties, het onderzoeksbureau en de CGB nader in op de sociale acceptatie van homo’s op de werkvloer.
Discriminatie? Op zoek naar onderliggende mechanismen

Uit onderzoek van de Commissie Gelijke Behandeling (CGB) blijkt dat verschillende mechanismen een rol spelen bij het ontstaan en in stand houden van discriminatie binnen De Haagse Hogeschool. Zowel allochtone als autochtone studenten en docenten blijken (stelselmatig) discriminatie te ervaren. Het onderzoek geeft inzicht in de onderliggende mechanismen die discriminatie in de hand werken én biedt handvatten hoe deze aan te pakken.   Het college van bestuur van De Haagse Hogeschool onderschrijft de conclusies en heeft toegezegd de aanbevelingen op te volgen.   Discriminatiemechanismen Aanleiding voor het onderzoek vormden meerdere klachten bij de CGB tegen De Haagse Hogeschool. Met dit zogeheten onderzoek uit eigen beweging wilde de CGB mogelijke patronen binnen de hogeschool en de mechanismen die hiertoe leiden in kaart brengen. Het onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau De Beuk en richtte zich op de opleiding Maatschappelijk Werk en Dienstverlening (MWD). De opleiding Commerciële Economie (CE) vormde een controlegroep. De geconstateerde discriminatiemechanismen doen zich voor in de bredere context van de Nederlandse samenleving, binnen de hogeschool als geheel en – in verschillende mate – binnen de opleidingen.
  • in de Nederlandse samenleving Zowel allochtone als autochtone betrokkenen ervaren – in meer of mindere mate – een negatieve doorwerking van de verscherping in het maatschappelijk debat over etniciteit en religie. Daarnaast speelt het taboe op het benoemen van discriminatie. Dit vertaalt zich in bepaalde reactiepatronen als de term discriminatie valt (ontkenning, verkeerd begrijpen, afdoen als gelegenheidskwesties) wat een adequate behandeling ervan lastig maakt. Dat speelt temeer als een groeiende diversiteit in de studentenpopulatie extra vaardigheden vereist van docenten.
  • binnen De Haagse Hogeschool De hogeschool draagt al jaren actief een diversiteitsbeleid uit. Een effectieve doorvertaling naar de dagelijkse lessituatie ontbreekt echter bij beide onderzochte opleidingen. Deze discrepantie tussen de ervaringen op de werkvloer en de optimistische boodschap op organisatieniveau bood onvoldoende bescherming en hield onvoldoende rekening met ontstane gevoelens. Hierdoor kon een voedingsbodem voor discriminatie ontstaan en voortbestaan en werd het onderwerp haast onbespreekbaar.
  • binnen MWD De MWD opleiding kenmerkt zich door de specifieke combinatie van normatieve vakinhoud (hoe zaken ‘horen’ binnen de samenleving) en een cultuur waarin bij discussies zowel docenten als studenten zich soms persoonlijk gekwetst voelen door de opvattingen van anderen. Een gebrek aan sturing en de ruimte die medewerkers nemen om naar eigen inzicht met spelregels en procedures om te gaan, schept ruimte voor discriminatie en de beleving van discriminatie.
  Deze mechanismen vertonen een sterke onderlinge samenhang en zijn niet los van elkaar te bezien. De specifieke combinatie van de geconstateerde mechanismen maakt dat er bij MWD sprake is van stelselmatige discriminatie. Bij CE beperkte discriminatie zich tot incidenten. Op organisatieniveau bood de hogeschool te weinig bescherming.   Spraakverwarring Naast de genoemde discriminatiemechanismen speelt ook spraakverwarring een rol in de ontstane situatie binnen de hogeschool. Medewerkers en studenten hanteren verschillende invullingen van het begrip discriminatie en beoordelen daarmee eenzelfde situatie of opmerking dan ook anders. Dat heeft ertoe geleid dat in sommige gevallen autochtone medewerkers en leerlingen zich onterecht beschuldigd voelen van discriminatie. Voor allochtone medewerkers en leerlingen geldt dat zij onvoldoende erkenning krijgen voor wat zij als discriminatie ervaren.   Betekenis onderzoeksuitkomsten voor De Haagse Hogeschool De hogeschool voert een diversiteitsbeleid dat niet voldoende effectief is gebleken. Zeker gezien het complex aan discriminatiemechanismen was dat ook niet gemakkelijk. Het ontslaat de hogeschool echter niet van haar zorgplicht als werkgever en onderwijsaanbieder. Dit onderkent het bestuur van de hogeschool die constructief en actief heeft meegewerkt aan het onderzoek. Zij herkent zich in de conclusies en heeft de aanbevelingen inmiddels opgenomen in een (concept) actieprogramma. Door het bloot leggen van de genoemde mechanismen is er nu zicht op de oorzaken, waardoor een effectiever aanpak van discriminatie mogelijk is.   Meerwaarde onderwijsveld De voorgenomen maatregelen van de hogeschool zijn gebaseerd op de aanbevelingen van de CGB, die de komende jaren dit proces binnen de school op afstand zal blijven volgen. De ervaringen in dit onderzoekstraject zijn voor de CGB aanleiding om in gesprek te gaan met het onderwijsveld. Doel is de opgedane expertise breed te delen.
De toegankelijkheid van het beroepsonderwijs voor gehandicapten en chronisch zieken

De Commissie heeft van verschillende onderzoeken naar de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs een uitgebreide samenvatting gemaakt.   De belangrijkste conclusie is dat de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs is niet optimaal voor studenten met een handicap of chronische ziekte. Het gaat hierbij om toegankelijkheid in brede zin, dus niet alleen de fysieke toegankelijkheid, maar ook om bijvoorbeeld de begeleiding van studenten.   De meeste instellingen voor beroepsonderwijs hebben beleid opgesteld om te waarborgen dat hun opleidingen toegankelijk zijn voor studenten met beperkingen. Desondanks ervaren studenten met een handicap dat instellingen voor beroepsonderwijs onvoldoende ondersteuning bieden, verloopt het aanvragen van aanpassingen moeilijk en worden zij vanwege hun handicap onheus bejegend door medewerkers van de onderwijsinstellingen.   Achterliggende documenten bij de uitgebreide samenvatting van het onderzoek naar de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs:
  • Onderzoek van de Commissie Gelijke Behandeling naar de toegankelijkheid van het beroepsonderwijs voor gehandicapten en chronisch zieken.
  • Onderzoek onder beroepsonderwijsinstellingen naar de toegankelijkheid voor gehandicapten en chronisch zieken, door ITS in opdracht van de CGB.
  • Empirisch onderzoek naar de toegankelijkheid van het middelbaar en hoger beroepsonderwijs en het universitair onderwijs voor chronisch zieken en gehandicapten, door Universiteit Tilburg in opdracht van de CGB.
Risicoselectie op grond van postcode en verblijfsstatus

Voor het kopen van een huis is het doorgaans noodzakelijk een hypothecaire financiering te verkrijgen. Het is van belang dat niemand wordt uitgesloten van of beperkt in de mogelijkheid een dergelijke financiering te verkrijgen op gronden die terzake niet relevant zijn en die worden beschermd door de Algemene wet gelijke behandeling (AWGB).   De AWGB verbiedt onderscheid naar onder meer ras en nationaliteit bij de aanbieding van goederen en diensten. Dit verbod beperkt de vrijheid van de hypothecair financiers om te bepalen onder welke voorwaarden en met wie zij overeenkomsten aangaan. Uitsluiting of benadeling op grond van ras en/of nationaliteit staat bovendien haaks op de door de regering wenselijk geachte toename van eigen huizenbezit juist in achterstandswijken.   De Commissie Gelijke Behandeling (de Commissie) heeft een onderzoek uit eigen beweging uitgevoerd naar onderscheid op grond van ras en nationaliteit door hypothecair financiers, omdat zij signalen ontving dat het voor allochtonen moeilijk en in sommige gevallen zelfs onmogelijk is om een hypothecaire financiering te verkrijgen. In dit rapport doet de Commissie verslag van dit onderzoek.   Bijlagen bij rapport Risicoselectie op grond van postcode en verblijfsstatus:
  • Advies 2006-15 inzake de aanvulling van de Gedragscode Hypothecaire Financieringen en de toelichting daarop, op verzoek van de NVB en het CHF
  • Advies 2006-16 inzake de voorwaarden en normen 2006 voor het verstrekken van een Nationale Hypotheek Garantie, op verzoek van de SWEW
  • Gedragscode hypothecair financiers
  • Toelichting gedragscode hypothecair financiers voor financiers
  • Toelichting gedragscode hypothecair financiers voor consumenten
 
Onderzoek uit eigen beweging: geen onderscheid naar burgerlijke staat door de dertien IVF-instellingen ten aanzien van ongehuwde man/vrouw paren; direct onderscheid naar homoseksuele gerichtheid door drie instellingen door lesbische paren uit te sluiten.

In een onderzoek uit eigen beweging heeft de Commissie mogelijk stelselmatig onderscheid op grond van burgerlijke staat of homoseksuele gerichtheid onderzocht bij de toelating tot in vitro fertilisatie (hierna: IVF)-voorzieningen door de dertien vergunninghoudende IVF-instellingen. De Commissie heeft daarbij aangegeven dat de resultaten van haar onderzoek van overeenkomstige toepassing zijn op behandelingen door Kunstmatige Inseminatie met Donorsemen (KID).   De Commissie heeft naar aanleiding van haar onderzoek het volgende geoordeeld. De Commissie concludeert dat door geen van de instellingen onderscheid wordt gemaakt op grond van burgerlijke staat, aangezien ongehuwde heteroseksuele paren niet anders worden behandeld bij de toelating tot een IVF-behandeling dan gehuwde heteroseksuele paren. De Commissie stelt vast dat drie instellingen een verboden direct onderscheid maken op grond van homoseksuele gerichtheid aangezien deze instellingen weigeren lesbische paren te behandelen; één instelling maakt een niet objectief gerechtvaardigd indirect onderscheid op grond van homoseksuele gerichtheid door geen lesbische paren te behandelen omdat daarbij gebruik moet worden gemaakt van donormateriaal. De instelling gebruikt echter geen donormateriaal vanwege mogelijke problemen ten aanzien van de identiteit van het kind. Acht van de dertien instellingen weigeren alleenstaanden te behandelen en maken daarmee indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat. De Commissie heeft reeds eerder geoordeeld dat ten aanzien van alleenstaanden getoetst kan worden of er sprake is van indirect onderscheid op grond van burgerlijke staat. De acht instellingen baseren dit beleid op het belang van het kind.   De Commissie is van oordeel dat, nu er onvoldoende onderzoeksgegevens bekend zijn over de vraag in hoeverre vaststaat dat het opgroeien van een kind in een eenoudergezin mogelijk een bedreiging vormt voor het belang van het kind, het uitgangspunt van deze instellingen, namelijk dat in geval van twijfel niet behandeld moet worden gezien het belang van het kind, als geschikt en noodzakelijk middel kan worden aangemerkt. De twaalf instellingen handelen wat dit punt betreft dus niet in strijd met de wetgeving gelijke behandeling. De Commissie oordeelt tot slot dat één instelling door geen alleenstaanden te behandelen een niet objectief gerechtvaardigd onderscheid maakt op grond van burgerlijke staat, omdat zij haar beleid baseert op het efficiënt inzetten van middelen. De Commissie acht het onaannemelijk dat dit middel zou beantwoorden aan een werkelijke behoefte van deze instelling.
geprint van: http://cgb.stippacceptatie.nl/publicaties/onderzoeken