Publicaties - adviezen

Advies 2010/2: inzake voorkeursbeleid van de Directie Organisatie- en Personeelsbeleid Rijk, ten behoeve van allochtone sollicitanten

Conclusie   Op basis van haar onderzoek concludeert de Commissie dat het voorkeursbeleid dat het ministerie van OCW wil hanteren om te bereiken dat in 2011 vijf niet-westers allochtone managers zijn benoemd bij de verschillende managementteams van het ministerie, voldoet aan de eisen die de gelijkebehandelingswetgeving stelt.   Samenvatting   Het door het ministerie van OCW voorgenomen voorkeursbeleid om in de periode tot en met 2011 te komen tot de benoeming van vijf niet-westers allochtone managers (schaal 14-15 BBRA) voldoet aan de eisen die gelden voor voorkeursbeleid voor etnische en culturele minderheden, te weten:  
  • de eis van aantoonbare achterstand: er kan worden vastgesteld dat sprake is van een achterstand bij het ministerie van OCW van niet-westerse allochtone medewerkers in de schalen 12-15 BBRA, in vergelijking tot het potentieel beschikbare aanbod op de arbeidsmarkt;
  • de zorgvuldigheidseis: het ministerie van OCW heeft aangegeven dat de benoeming van vijf niet-westers allochtone managers in twee jaar, geen resultaatverplichting is maar een streefgetal dat een inspanningsverplichting uitdrukt. Tevens is aangegeven dat een kandidaat uit de doelgroep uitsluitend voorrang heeft bij gelijke geschiktheid van de kandidaat en dat de geschiktheid van deze kandidaten vergelijkenderwijs met die van kandidaten die niet behoren tot de doelgroep, wordt beoordeeld;
  • de evenredigheidseis: de voorkeursmaatregel is gerechtvaardigd door de mate van achterstand. Verder is van belang dat het een tijdelijke maatregel betreft;
  • de kenbaarheidseis: indien het ministerie van OCW in de vacature vermeldt dat de vacature openstaat voor iedereen en dat een voorkeursbeleid wordt gevoerd voor kandidaten van niet-westers allochtone afkomst, voldoet het ministerie daarmee aan het kenbaarheidvereiste.
  Voorts geldt dat:  
  • in de advertentietekst genoemde competenties neutraal moeten zijn geformuleerd, opdat iedereen ongeacht etniciteit daaraan in beginsel kan voldoen.
  • als een zoekopdracht wordt gegeven aan een gespecialiseerd bemiddelings- of rekruteringsbureau, niet de opdracht mag worden gegeven om uitsluitend kandidaten uit etnische of culturele minderheidsgroepen voor te dragen. Verder is het van belang dat de opdrachtgever (het Rijk) uitsluitend opdrachten geeft aan bureaus die in hun eigen werkwijze handelen conform de gelijkebehandelingswetgeving (zie het CGB advies over doelgroepgerichte uitzenden bemiddelingsbureaus, advies 2009-7).
Advies 2010/1: inzake het stellen van voorwaarden aan het wervings- en selectiebeleid van organisaties die taken voor de gemeente uitvoeren

Advies aan de gemeente Amsterdam i.v.m. de uitvoering van de 'motie Flos'   De strekking van de in de gemeenteraad aangenomen ‘motie Flos’ lijkt het voorkomen van een eenzijdig naar religie, politieke gezindheid, culturele achtergrond of afkomst samengesteld personeelsbestand, van organisaties die door de gemeente gefinancierde taken uitvoeren ten behoeve van alle Amsterdammers. Hoofdregel van de gelijkebehandelingswetgeving is dat werkgevers zo’n selectie op in de wet genoemde gronden niet mogen maken, omdat zij daarmee discrimineren. Daarop zijn uitzonderingen mogelijk. Het kan voor de gemeente een oplossing zijn om in de overeenkomsten met organisaties de voorwaarde op te nemen dat zij zich voor hun wervings- en selectiebeleid aan de spelregels van de gelijkebehandelingswetgeving houden.   Hieronder staan allereerst de vragen die door de gemeente Amsterdam aan de Commissie Gelijke Behandeling zijn voorgelegd:  
  1. Wanneer komt een werkgever in strijd met de gelijkebehandelingswetgeving, als deze in zijn wervings- en selectiebeleid selecteert op godsdienst (of levensovertuiging), politieke gezindheid, geslacht, seksuele gerichtheid of (etnische) afkomst? In samenhang daarmee:
  2. Welke voorwaarden mag een gemeente stellen aan organisaties met wie zij een relatie aangaat m.b.t. het aanbieden van diensten (aan de gemeente), aangaande de selectie van personeel van deze organisaties?
  3. Kan de gemeente bij het verstrekken van subsidies aan organisaties die voor haar diensten verzorgen en/of bij het aangaan van overeenkomsten met aanbieders van diensten, de eis stellen dat een dergelijke organisatie zich onthoudt van godsdienstige of politieke ‘wervings- of bekeringsactiviteiten’ onder het Amsterdamse publiek tot wie deze organisatie zich richt bij de uitvoering van de met de gemeente Amsterdam overeengekomen diensten?
geprint van: http://cgb.stippacceptatie.nl/publicaties/adviezen